bouwhistorie


Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek in de Cauwenborgh


door: Marco Vermunt
De bouwgeschiedenis. In 1993 begon de huidige eigenaar van de Cauwenborgh, H.Smeenk, aan de restauratie van zijn pand. Hij deed dit grotendeels eigenhandig, gesteund door een restauratieplan van architectenbureau Weyts. Gaandeweg werd steeds duidelijker dat het oorspronkelijke gebouw uit de zestiende en zeventiende eeuw zwaar geleden had door eeuwen van beurtelings reparaties, oplapwerk en verwaarlozing. Veel authentieke onderdelen van het pand konden jammer genoeg niet meer gehandhaafd worden en vielen onder de slopershamer. Al voor de aanvang van het werk waren de toen zichtbare bouwhistorische bijzonderheden van Cauwenborgh gedocumenteerd door C.Booij, en na het verwijderen van de niet meer te redden onderdelen werden de nieuw ontdekte sporen vastgelegd door J. Weyts. Het onderstaande bouwhistorische verhaal is een synthese van beide rapportages. Hieruit blijkt eens te meer dat systematisch bouwhistorisch onderzoek, met precieze opmetingen en fotografie van oude onderdelen, zoals dat ook in de archeologie gebruikelijk is, tijdens dergelijke restauraties pure noodzaak is. Het verrijkt niet alleen onze kennis over het bouwen in vroeger eeuwen, maar geeft tegelijk leidraden voor een verantwoorde herbouw.

De Cauwenborgh bestaat uit een hoog en breed voorhuis en een smaller en lager achterhuis, beide met begane grond, verdieping en zolder. Onder het voorhuis bevindt zich een klein keldertje. Het voorhuis is verdeeld in drie traveeën, het achterhuis in slechts twee (afb. 1).

plattegrond Cauwenborgh perceel

plattegrond van de begane grond. Hierin is de vermoedelijke omvang van het oudere voorhuis aangegeven. Tekening auteur


Bij het pand hoort een smal erf dat zich (voor zover bekend vanaf de achttiende eeuw) uitstrekt langs de Korte Dubbelstraat. De huidige vorm van het pand is tot stand gekomen uit minimaal drie redelijk nauwkeurig te onderscheiden bouwfasen. Van de oudste fase resteert een groot deel van het muurwerk in de scheidingsmuur tussen voor- en achterhuis. Op de begane grond en op de verdieping kwamen na afbraak van oude rookkanalen sporen van een geveltop met vlechtingen tevoorschijn. Deze gevel bestond uit baksteen, in leem gemetseld, met een formaat van 5x10x20 cm. Het maakte deel uit van een éénlaags stenen huisje ter plaatse van het huidige voorhuis, maar veel smaller. De dakaanzet lag ter hoogte van de huidige verdiepingsvloer (afb.2). Door het gemis aan precieze opmetingen van de bouwsporen kan niet meer de exacte breedte van dit voorhuis berekend worden, evenmin de lengte. Op grond van het steenformaat en uit andere aanwijzingen ligt een datering in de vijftiende eeuw voor de band. We mogen aannemen dat het aangrenzende achterhuis toen nog van hout was.

dwarsdoorsnede pand Cauwenborgh

Dwarsdoorsnede door het achterhuis (links) en door het voorhuis (rechts). Tekening J Weyts.



Er zijn ter plaatse resten van veertiende en vijftiende eeuwse aangestampte lemen vloeren gevonden en aanwijzingen voor een flinke brand in de vijftiende eeuw.


In het begin van de zestiende eeuw werd het bestaande achterhuis in steen gebouwd. Als oostgevel werd de genoemde topgevel van het voorhuisje verhoogd en verbreed. Er werden twee vensters in aangebracht, waarvan de resten tijdens de restauratie aan het licht kwamen. Uit de bouwtijd dateren nog de oost- en zuidgevel, een deel van de westgevel, de moerbalken en oude kinderbalken, alsmede een schaargebint en hergebruikte gordingen in de kap. De moerbalken hebben sleutelstukken met een gelijke profilering (afb.3). Deze vertonen op de verdieping gaten van verdwenen korbelen, maar op de begane grond zijn er alleen pengaten aan de noordzijde: aan de zuidzijde rust de moerbalk op een kraagsteen met peerkraalprofiel (afb. 4). In oorsprong waren er dus houten stijlen en korbelen van een houtskelet constructie aanwezig, behalve op de begane grond aan de zijde van de Korte Dubbelstraat. Het muurwerk bestaat uit bruin-rose baksteen in schelpkalkmortel, met een formaat van 4½/5x10x20/21 cm. Tegen de westwand van het achterhuis werden na afbraak van een spouwmuur sporen van een brede haardpartij teruggevonden. Bij de restauratie is hierop teruggegrepen door het plaatsen van een nieuwe haard. In de zuidmuur kwamen resten van een oud dichtgezet venster met kruiskozijn aan het licht. De vorm en detaillering ervan werden gekopieerd in twee geheel nieuwe vensters in de tegenoverliggende gevel aan de Dubbelstraat.


Op grond van de sleutelstukken en de formaten van de bakstenen moet het achterhuis in het begin van de zestiende eeuw gedateerd worden.

sleutelstuk achterhuis

Sleutelstuk en kraagsteen in achterhuis. Tekening J Weyts


De derde bouwfase bestond uit de bouw van een nieuw voorhuis aan het begin van de zeventiende eeuw. Opnieuw werd de scheidingsmuur tussen voor- en achterhuis verhoogd, nu met de zichtzijde aan de westkant, en tevens voorzien van een topgevelvenster. Van deze fase dateren de eiken verdiepingsbalklaag van moer- en kinderbalken en de enkelvoudige grenen zolderbalklaag, beide met geprofileerde sleutelstukken (afb.5). Oorspronkelijk zijn ook de hergebruikte schaargebinten en gordingen van de dakstoel en aanzienlijke gedeelten van de oost-, zuid- en westgevels. De kelder (met baksteenformaat 4x8x16 cm.) is misschien iets later toegevoegd. Het muurwerk van het voorhuis is opgebouwd uit gele en bruine baksteen met een formaat van gemiddeld 4x8½/9x18 cm.


De oudste indeling van het voorhuis kan herleid worden uit de aftekeningen op de balkenzoldering en de plaats van de haarden. Het voorhuis was in de lengte in tweeën gedeeld. De rechterhelft had een ongeverfde zoldering en een stookplaats tegen de scheidingsmuur tussen voor- en achterhuis. Bij graafwerkzaamheden werd hier een zeventiende eeuwse aspot gevonden. De linkerhelft was verdeeld in een voor- en achterkamer, beide met groengeverfde zolderingen. De voorkamer had een haard tegen de zuidgevel, de achterkamer een tegen de westgevel. De langsmuur werd in later tijd zuidwaarts verplaatst. Hiervan is een deel van de fundering teruggevonden.

sleutelstukken voorhuis

Sleutelstukken in het voorhuis. Tekening J Weyts.


Volgens een pentekening door Valentijn Klotz, gedateerd 1672, had het voorhuis van de Cauwenborgh een trapgevel. Ook op de Parijse maquette is ze zichtbaar (zie beide afbeeldingen). Hiervan is echter niets overgebleven. De oorspronkelijke pui is in de achttiende eeuw vervangen door de bestaande raam- en deurkozijnen en de fraaie, authentieke winkeldeur met glasroeden. De verdiepingsvensters in de voorgevel werden in het midden van de negentiende eeuw vernieuwd. De trapgevel verdween in de negentiende eeuw, toen de kappen gewijzigd werden en een schuddak werd aangebracht. In het achterhuis verhoogde men de dakvlakken en bracht men borstweringen aan. Het oude bovenjuk van het spant verdween daarbij. De voorkap kreeg een kleinere dakhelling, waartoe de schaargebinten vermaakt werden. Aan de aanzetten van de blokkeels is nog te zien dat de spantbenen oorspronkelijk steiler stonden.


Uit archiefbronnen blijkt dat het voorhuis in 1605 van de grond af aan opnieuw werd opgetrokken. De anderhalve voet (circa 45 centimeter) verbreding waarvan sprake is, betreft vermoedelijk de verplaatsing van de rooilijn aan de zijde van de Dubbelstraat.

vlaktekening van de oven

Vlaktekening van de oven, doorsneden door de latere fundering van een binnenmuur en door de kelder.



Archeologisch onderzoek


Bij het restaureren van de Cauwenborgh is er ook onder het pand gegraven. Daarvoor waren een paar redenen: de kleine kelder, in oorsprong alleen toegankelijk vanaf de straat, kreeg een nieuwe toegang vanuit de nieuw te bouwen keuken; de funderingen dienden verzwaard te worden en de riolering was aan vervanging toe. Dankzij de enthousiaste medewerking van de eigenaar kon in 1993 een belangrijke vondst in het voorhuis gedocumenteerd worden. Na verwijdering van een vloer van gebakken rode plavuizen in het voorhuis, die met grote waarschijnlijkheid nog uit 1605 dateerde, tekende zich in het onderliggende zand een opmerkelijke cirkelvorm af, bestaande uit oranjerode, zachte leemachtige stenen, gemetseld in gele leem. De buitendiameter van de cirkel bedroeg 1,55 meter. De stenen, of liever gezegd tichels (ze bestonden uit ongebakken klei) waren gelegd in een krans met een dikte van 25 centimeter. De tichels waren zo zacht dat ze met een mes doorgesneden konden worden. Aan de binnenzijde waren ze door verhitting hard gebakken en geel verkleurd. De vulling van de krans bestond uit puin en leembokken. De cirkelvorm was aan de zuidzijde (de kant van de Korte Dubbelstraat) verbroken door het keldergewelf en door een ondiepe fundering van de eerder vermelde verplaatste binnenmuur in het voorhuis (afb. 6).


Duidelijk was dat het hier een oventje betrof. Het kleine formaat en de zachte lemige steen sloten een functie als pottenbakkersoven, voor de hand liggend in het havenkwartier, bij voorbaat uit. Om meer te weten te komen over de opbouw van de oven werd de vulling uitgegraven zodat de bodem goed in het zicht kwam; daarna werd een kwadrant verwijderd om de doorsnede te kunnen tekenen (afb.7).

doorsnede oven met reconstructie van koepel

Doorsnede van de oven met reconstructie van de koepel



Reconstructie van de oven


Het oventje bleek te bestaan uit een cirkelvormige onderbouw van overwegend baksteen (formaat 5x10x19,5 cm), waarin een kruisvormig verdiept gedeelte was uitgespaard van ongeveer 1 bij 1 meter. De zijkanten waren afgesmeerd met gele leem. De ovenbodem bestond uit een laagje rode leem, bedekt met grote rode ongeglazuurde plavuizen (4x20x20 cm) met afgeschuinde boeken, die naadloos tegen elkaar pasten. Tijdens de ontdekking bleken veel tegels verdwenen; alleen de afdruk in de zachte leem was nog zichtbaar. De onderbouw droeg een ronde koepel die vrijwel helemaal opgemetseld was met rode tichels. Van de koepel waren alleen de onderste 7 lagen overgebleven, de rest was bij de aanleg van de 1 7de eeuwse vloer afgebroken. Dat het daadwerkelijk om een koepel ging, was nog juist te zien aan de binnenwaartse neiging van de wand. De totale overgebleven hoogte van de oven bedroeg aldus 55 centimeter. De oorspronkelijke hoogte van de koepel wordt geschat op ruim een meter (afb.8).


In het omliggende zand was het oorspronkelijke vloeroppervlak, ten tijde van het in bedrijf zijn, zichtbaar als een dun geel zandlaagje. Hoogstwaarschijnlijk was dit een vleilaag van een verdwenen oudere plavuizenvloer. Het werkoppervlak rond de oven lag precies even hoog als de bodem van het oventje zelf.



Functie van de oven


Er werden in de vulling van de oven of in de naaste omgeving geen sporen gevonden die een directe aanwijzing gaven voor het gebruik ervan. Evenmin was er sprake van een brandlaag, stookvloer of andere vorm van verbrandingsresten. De tegelvloer vertoonde geen roetaanslag. Bovendien was duidelijk dat er nooit erg grote temperaturen bereikt waren in de oven, omdat alleen de buitenste huid van de tichels in de onderbouw en de koepel gebakken was. Dit alles kan wijzen op een gebruik als broodoven. In ons land zijn tot nu toe haast geen resten van middeleeuwse broodovens opgegraven. Uit Amersfoort is een 15de eeuwse oven bekend, die had bovendien een rooster, die het inwendige in een stook- en bakruimte verdeeld (1). In tegenstelling daarmee werkte de oven onder de Cauwenborgh volgens het éénkamer principe. Dat wil zeggen dat stoken en bakken in dezelfde ruimte gebeurde.


Een bijna identieke en goed vergelijkbare middeleeuwse broodoven is bekend uit Duitsland. Deze werd in 1982 opgegraven in de Hanzestad Lübeck en dateerde uit de l4de of l5de eeuw (2). Het meest bijzondere van die Duitse oven is wel het feit dat hij telkens gerepareerd of herbouwd werd en daardoor ononderbroken functioneerde van de 14de tot in de vorige eeuw. Omdat de eigenlijke constructie in de loop der eeuwen, ondanks de herstellingen, nauwelijks veranderde, is er redelijk veel inzicht verkregen in de werking van de middeleeuwse fase.

isometrische voorstelling broodoven

Isometrische voorstelling van de broodoven.



De werking van een bakoven


Over de constructie en werking van een eenvoudige broodoven zijn we gelukkig niet alleen aangewezen op schaarse buitenlandse voorbeelden. Het broodbakken zoals dat op het platteland van Vlaanderen en Brabant gedurende eeuwen bij mensen thuis beoefend werd, is in al zijn facetten uitvoerig beschreven door Jozeph Weyns, voormalig conservator van het openluchtmuseum in Bokrijk (3). Verrassend daarbij is het feit dat er honderden jaren lang erg weinig veranderd is aan de manier van broodbakken. Dit betekent dat de traditionele broodoven altijd uitstekend heeft voldaan aan de behoefte van de afzonderlijke huishoudens en dat grote veranderingen nooit nodig zijn geweest. Tegelijk is het onthutsend om te constateren dat in de laatste decennia, door de opkomst van het industriële of moderne (stedelijke) bakbedrijf, zoveel van deze kennis en traditie verloren is gegaan.


De eenvoudige broodovens, die nog niet zo lang geleden op het platteland gestookt werden, waren zowel in de woning of boerderij zelf, als ook (wat het vaakst voorkwam) in een apart bakhuisje tegen de achterwand van de boerderij te vinden. Ze bestonden uit een eenvoudig stenen gewelf op een vlakke tegelbodem, waarin op geringe hoogte vanaf de ovenvloer een halfronde opening (de ovenmond) was uitgespaard. Deze lag in de regel op borsthoogte; eronder bevond zich dan de opbergplaats van brandhout. De oven werd gevuld met takkenbundels of rijshout, ook wel mutsaard genoemd, dat zo volledig mogelijk moest verbranden. De mondopening kon tijdens het stoken openblijven, zodat de rook ontsnapte via een apart rookkanaal of, eenvoudiger, via een opening in het dak, al naar gelang de constructie en plaatsing van het bakhuisje. Bij een goede verbranding bleef er alleen witte as (geen roet) op de ovenvloer achter. Via de mondopening werd dit verwijderd met een schraper. Verdere reiniging van de bodem gebeurde met een lange stok waaraan een natte doek was bevestigd. Het voorverwarmen nam ongeveer een uur in beslag. Hierna werd het brood in de oven geschoven of 'geschoten' met een rakelijzer of zogenaamde broodschieter. Vervolgens werd de ovenmond afgesloten. Bij eenvoudige lemen ovens gebeurde dit met een houten luikje, het 'scheel' genoemd, dat met leem afgesmeerd werd; de recentere broodovens hadden vaak een ijzeren deurtje. Belangrijk was dat de warmte zich zo goed mogelijk verdeelde en zo lang mogelijk vastgehouden werd in de koepel. Het bakken duurde, afhankelijk van de broodsoort, 1 tot 3 uur. 'Gewoon' brood ging het snelst, maar (scheeps)beschuit vergde bijvoorbeeld twee bakgangen (biscuit of biscotto betekent letterlijk: tweemaal gebakken). Om de oventemperatuur in de gaten te houden (gekeken werd naar de kleur van de gloed in de oven) waren er vaak kijkgaten in de koepel aangebracht, die met aardewerken doppen (de stopsels) afgesloten konden worden (4).


De hier beschreven werkwijze gold ook voor de oven in de Cauwenborgh en die van Lübeck, ondanks het feit dat beide veel ouder zijn dan de nog bewaard gebleven bakhuisjes. Het grote verschil is dat de opgegraven ovens allebei op vloerhoogte lagen in het midden van het vertrek. Voor de rook bestond geen apart afvoerkanaal: die verdween via de nok van het dak. De ruimte had bijgevolg geen verdieping of vliering. Intrigerend is de vermelding van Jozef Weyns dat de Brabantse broodovens 'oudtijds' een overwelving hadden van kleiklompen in de vorm van bakstenen: deze constructie is in de Cauwenborgh (en ook in Lübeck) daadwerkelijk toegepast (5). De plaats van de ovenmond moet zowel bij de Duitse als de Bergse oven vlak boven de werkvloer gelegen hebben, iets wat het bakken niet echt makkelijk zal hebben gemaakt. In Lübeck is van de ovenmond (ook wel muil genoemd) geen spoor teruggevonden. In de Cauwenborgh zin we niet geheel zeker van de plaats van de muil. Een mogelijkheid is, dat de ovenmond aan de zuidkant lag, precies waar de oven vernield was door de bouw van de kelder en de genoemde funderingsmuur. Waarschijnlijker is echter dat de muil aan de oostzijde lag. Hier bevond zich op de overgang van onderbouw en gewelf een aftekening van vette roet. Ter plaatse kan zich een opening van 30 centimeter breedte en 25 centimeter hoogte bevonden hebben, wat niet ongewoon is voor een mond van een dergelijk klein oventje. Verdere sporen van roet of as zijn overigens niet gevonden, ook niet rondom de oven. Hierbij moet opgemerkt worden, dat juist daar, waar de ovenmond vermoed wordt, de buitenzijde van de oven niet is onderzocht.


De Lübecker oven werd in de loop der tijd verschillende keren opgelapt. Vooral de ovenbodem van aangestampte leem moest vaak hersteld worden. In de Bergse oven is daarvan geen spoor teruggevonden. De vaste tegelbodem was waarschijnlijk sterk genoeg. Of de oven ooit herbouwd of gerepareerd is, blijft onzeker. Een aanwijzing hiervoor zou de vreemde onderbouw kunnen zijn: de kruisvormige bakruimte met de verhoogde hoeken lijkt niet erg praktisch en wijkt af van het Duitse en de nog bestaande voorbeelden. Misschien diende deze om warmteverlies te voorkomen, of voor het plaatsen van een los rooster. Aanwijzingen hiervoor ontbreken echter.


Een veel groter verschil met het Duitse voorbeeld is de afmeting: de oven in Lübeck was inwendig ruim 3 meter in doorsnede, de Bergse slechts 1 meter. De eerste leverde genoeg op om 100 tot 150 inwoners te voeden en was bijgevolg een echte bedrijfsoven (6); de tweede zal hooguit hebben voldaan aan de behoefte van de bewoners van de Cauwenborgh zelf.



De datering en relatie met het voorhuis


De broodoven van de Cauwenborgh stond oorspronkelijk in een voorhuis, dat bij de herbouw van 1605 geheel vernieuwd is. Van dit oudere vertrek zijn alleen nog resten bewaard in de muur tussen het voor- en achterhuis. Met voorhuis is ongeveer 4 meter breed geweest; het oventje lag precies in het midden. Het is daarom verleidelijk om het voorhuis te interpreteren als een bakhuis bij de eigenlijke woning, het achterhuis.


De oven werd in 1605 'onthoofd' bij de aanleg van een plavuizenvloer op een ophogingspakket van zand en afval. Korte tijd later werd het ovenrestant beschadigd bij de bouw van de kelder en weer later bij de aanleg van een fundering voor een binnenmuurtje.


Voor de datering van de oven zelf bieden de op elkaar liggende vloerniveaus en grondlagen aanknopingspunten. De grond onder de Cauwenborgh is tenminste viermaal opgehoogd en voorzien van een nieuw loopvlak, beginnend in de vroege 14de eeuw en eindigend met tegelvloeren ut de I8de of I9de eeuw. Elke laag is te dateren aan de hand van (schaarse) aardewerkvondsten.


De oven is aangelegd op de derde ophogingslaag en wordt gedateerd rond het midden van de l5de eeuw. De oven en het voorhuis zijn zeer waarschijnlijk tegelijkertijd gebouwd.

Halve zilveren reaal Karel V (voorzijde)      Halve zilveren reaal Karel V
(achterzijde)

                   a. Halve zilveren reaal Karel V (voorzijde).                              b. Halve zilveren reaal Karel V (keerzijde). Foto GAB.



De vondsten in de ovenvulling


De broodoven was voor het grootste deel gevuld met stukken gebakken leem van de kapotgeslagen koepel, vermengd met zand en afval. Rondom de oven was het loopvlak verhoogd met 40 centimeter zand. Dit betekent dat de oven vlak voor 1605 buiten werking werd gesteld, na een functioneren van ruim anderhalve eeuw!


De vulling van de oven leverde enkele raadselachtige vondsten op. Het betreft drie zilveren munten uit de Bourgondische Nederlanden: 1 reaal en twee halve realen van Karel V, geslagen in Antwerpen tussen 1521 en 1555; een zilveren kledingknoopje, een koperen muntje (een mijt) en een koperen duit, geslagen in Holland omstreeks 1593-1595 (7). Voorts werden er nog een pijpaarden Jezusbeeldje gevonden en een zogenaamde patacon, allebei I6de eeuws (afb. 9 en 10).


De patacon is, net als het beeldje, gegoten in een mal en versierd met druiventrossen. Van de patacon wordt aangenomen dat hij diende als decoratie op taarten en koeken bij feestelijke gebeurtenissen (vergelijkbaar met de hedendaagse bruidstaart). Het is het enige voorwerp dat werkelijk verband zou kunnen houden met een broodbakkerij. Het woord patacon is afgeleid van de naam voor een Spaans zilveren muntstuk (8).


Hoe zijn deze voorwerpen in de oven terecht gekomen? Het ligt niet voor de hand dat ze per ongeluk zijn verloren of nog op de bodem van de oven lagen en vergeten zijn: de munten lagen zowel diep in de vulling als aan de oppervlakte. Gelet op de andere vondsten onder de Cauwenborgh denk ik eerder aan een zogenaamd bouwoffer: een ritueel begraven geldbedrag dat voorspoed moest uitroepen over het nieuw te bouwen huis. Overigens vertegenwoordigden de munten geen grote waarde: een reaal had een tegenwaarde van 3 stuivers, wat ongeveer gelijk stond aan een dagloon, waarvoor je hoogstens drie broden kon kopen.

zilveren knoop, pijpaarden Jezusbeeldje en patacon

Zilveren knoop, pijpaarden Jezusbeeldje en patacon.

Zilveren reaal, Ferdinand en Isabella (voorzijde)          Zilveren reaal, Ferdinand en Isabella (achterzijde)

                   a. Zilveren reaal, Ferdinand en Isabella (voorzijde).                    b. Zilveren reaal, Ferdinand en Isabella (keerzijde). Foto GAB.



Andere broodovens in Bergen op Zoom


Op enkele plaatsen in de Bergse binnenstad zijn tot nu toe broodovens gevonden: in de kelder van de bakkerij van het Markiezenhof en in de kelder van het pand Blauwehandstraat 6. Een ovenconstructie die in 1992 in de kelder van Vismarkt 15 (De Gelaarsde Cath) tevoorschijn kwam was waarschijnlijk ook een broodoven (9).


De bakkerij onder het markiezenhof (nu restaurant La Pucelle) had twee ovens naast elkaar, ingewerkt in de wand en bestaande uit lage gedrongen korfgewelven. Een ervan is nog bewaard. De rookkanalen stonden in verbinding met kanalen op de begane grond. De ovenmuilen konden afgesloten worden met ijzeren deurtjes. Onder elke oven bevond zich een nis voor het brandhout. Deze bakinrichting verraadt, in tegenstelling tot de Cauwenborgh, een veel 'modernere' opzet en dateert dan ook uit de 16de eeuw (10).

Tijdens het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van het bouwblok Kettingstraat/Blauwehandstraat werd in de kelder van Blauwehandstraat 6 een broodoven ontdekt die eveneens was ingewerkt in de muur. Het betrof een grote oven met een diameter van 2,15 meter, overdekt door een zeer laag korfgewelf (de maximale hoogte was maar 33 centimeter!). De oven vloer bestond uit rode plavuizen. Er was een rookkanaal vlak bij de ovenmond dat de rook afvoerde naar de haard op de begane grond. Hoewel de ovenmond deels vernield was, resteerden nog twee ophangpunten voor een ijzeren deur. Er waren sporen van een oudere ovenfase aanwezig. De kelder van het pand dateert in eerste aanleg uit de 15de eeuw, maar de oven is daar later, tijdens een verbouwing, aan toegevoegd. Vermoedelijk gebeurde dat in de 16de of 17de eeuw.



Een muntschat in het voorhuis


De gehele noordelijke gevelwand van de Cauwenborgh aan de Dubbelstraat dateerde uit 1959 en werd bij de restauratie vervangen door muurwerk in oude stijl. Tijdens het verstevigen van de funderingen vond de eigenaar een bodem van een steengoed beker, gevuld met twee zilveren Spaanse munten: zogenaamde realen, geslagen tijdens het bewind van Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië, de grootouders van Karel V. (afb.1 1). De munttekens verraden dat ze geslagen zijn in Segovia en Toledo, tussen 1475 en 1504. Overigens is ook de beker zelf bijzonder. Het betrof een zogenaamde 'Schnelle': een hoge drinkbeker op vlakke bodem, gemaakt in Raeren (België) in het laatste kwart van de zestiende eeuw. Dergelijke bekers, vaak versierd met emblemen en wapens, komen slechts sporadisch tevoorschijn bij opgravingen in Bergen op Zoom. Omdat de vondst gedaan werd onder de oude fundering van de oorspronkelijke gevelwand hebben we hier ongetwijfeld van doen met een tweede 'bouwoffer' uit 1605. Hoewel de gebruikte munten toen al zo'n honderd jaar oud waren, konden ze nog wel als betaalmiddel dienen.

 Steengoed baardmankruik, fragment van een steengoed beker en een aardewerken kamerpot.

Steengoed baardmankruik, fragment van een steengoed beker en een aardewerken kamerpot. Foto auteur.



Ontdekkingen in het achterhuis


In het achterhuis van de Cauwenborgh werd een groot deel van de vloer weg gegraven ten behoeve van versteviging van de fundamenten. Daarbij kwamen opnieuw interessante sporen aan het licht. De vier fasen van ophogingen, waar in het voorhuis sprake van was, konden ook hier aangetoond worden. Toch was de vloer er vaker vernieuwd en waren er bovendien overblijfselen zichtbaar van een vijftiende eeuwse brand.


Aangenomen mag worden, dat de teruggevonden veertiende en vroeg vijftiende eeuwse vloeren deel uitmaakten van houten woningen: onbekende voorgangers van de Cauwenborgh, waarvan we geen flauw idee hebben hoe groot ze zijn geweest.


Recente opgravingen elders in de Dubbelstraat maken overigens duidelijk dat hier al in de dertiende eeuw houten huizen stonden. Aan de achterkant lagen open erven, ook onder de Korte Dubbelstraat, die toen nog niet bestond. Bovendien blijkt, dat deze huizen en erven op een reusachtig kunstmatig plateau staan, dat kort na 1200 werd opgeworpen om bewoning langs de haven mogelijk te maken. Tevoren was er een steile helling van de kade naar de Dubbelstraat. De grond was in gebruik als akkerland en werd bemest met slib uit de havenkreek.


Onder de fundering van de zuidelijke zijgevel van het achterhuis werd een complete, gave (maar gebruikte) pispot gevonden, daterend uit het einde van de 15de eeuw, vergezeld van een steengoed baardmankruik uit Raeren (afb.12). Deze kruik, waarvan de hals was afgeslagen, is gemaakt in het laatste kwart van de 15de eeuw. Bovendien is het een misbaksel (ten gevolge van een bakfout zit er een gat in de kan, zodat deze hoogstens als siervoorwerp gebruikt kan zijn). Op de hals en buik bevindt zich een primitieve afbeelding van een bebaard gezicht. De kan is de regelrechte voorganger van de bekendere 16de en 17de eeuwse 'baardmankruiken'. Het is niet uit te sluiten dat ook deze voorwerpen gediend hebben als een soort symbolisch bouwoffer. Van een echte afvalput was namelijk geen sprake en bovendien werd in het omringende zand haast geen enkel scherfje gevonden. De voorwerpen lijken doelbewust begraven te zijn, mogelijk bij de herbouw in steen. Dit brengt het aantal 'bouwoffers' op drie! De rijke historie van de Cauwenborgh is met al deze bevindingen wel aangetoond. Wie vijf jaar geleden nog langs was gelopen, had dit waarschijnlijk niet kunnen vermoeden.


Hier kunt u lezen over de geschiedenis van pand Cauwenborgh.